De belangrijkste beslissingen over het bestuur van de Vlaamse universiteiten worden niet binnen de universiteiten genomen, maar wel daarbuiten door een minister en zijn administratie in Brussel
Paul De Grauwe
Paul De Grauwe was deze week tijdens een hoorzitting in het Vlaams Parlement vernietigend voor de hervorming van het hoger onderwijs. Hier schrijft hij: ‘Het businessmodel van de Vlaamse universiteiten deugt niet.’ Het beleid dat in woorden hoge kwaliteit nastreeft, is in de feiten alleen maar gericht op groter worden.
Ten tijde van de Sovjet-Unie werden alle belangrijke bedrijfsbeslissingen niet binnen het bedrijf genomen, wel daarbuiten door een centrale administratie in Moskou. Deze bepaalde het gamma producten en diensten dat door de onderneming geproduceerd moest worden. Moskou besliste ook over de normen waaraan die producten en diensten moesten beantwoorden. De prijzen van deze producten en diensten werden eveneens door de centrale administratie vastgelegd (meestal op een te laag niveau). De vergoeding van alle werknemers werd bepaald door dezelfde instanties in Moskou. Aangezien de Sovjetondernemingen slechts een klein deel van hun inkomsten verkregen door de verkoop van hun producten, moesten ze middelen krijgen vanuit het centrale budget. Ze verplaatsten daarom hun activiteiten naar de politieke sfeer en poogden door harde lobbying meer geld van de centrale kas af te snoepen. Wie groot en sterk was, kreeg meer. Er was dus een ingebouwde dynamiek om de ondernemingen zo groot mogelijk te maken.
Dit extreem gecentraliseerde systeem leidde tot meer en meer verstarring. Vernieuwing en creativiteit werden onmogelijk gemaakt. Uiteindelijk implodeerde het stelsel onder zijn eigen gewicht. De vele landen die dergelijke centraal geleide systemen hadden opgebouwd, zeiden het vaarwel vanaf de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Ze introduceerden economische stelsels gebaseerd op decentralisatie en privé-initiatief.
Het feit dat centrale besturingssystemen volledig gediscrediteerd zijn, betekent niet dat ze niet meer worden gebruikt. In Vlaanderen wordt zo’n centraal betalingssysteem gebruikt in het universitaire landschap. De belangrijkste beslissingen over het bestuur van de Vlaamse universiteiten worden niet binnen de universiteiten genomen, maar wel daarbuiten door een minister en zijn administratie in Brussel. Deze centrale administratie bepaalt de onderwijsprogramma’s die door de universiteiten kunnen worden aangeboden. Ze beslist over de normen waaraan die programma’s moeten voldoen. De prijs van de onderwijsdiensten wordt eveneens centraal vastgelegd, op een laag niveau dat totaal losstaat van de kostprijs van de dienstverlening. De vergoeding van het personeel wordt niet door de universiteiten bepaald, wel door dezelfde centrale administratie.
Aangezien de universiteiten nauwelijks inkomsten genereren uit de verkoop van hun diensten aan de klanten, moeten ze hun inkomsten verwerven vanuit het centrale Vlaamse budget. Dus politieke lobbying is een kernactiviteit van de Vlaamse rectoren en andere universitaire bazen. Wie groot en sterk is, krijgt meer. Er is dus een ingebouwde dynamiek om de universiteiten zo groot mogelijk te maken. De KULeuven en de UGent tellen nu meer dan 30.000 studenten. De top tien beste Amerikaanse universiteiten (Harvard, Yale, Princeton, Chicago, Stanford en dergelijke) tellen gemiddeld 17.000 studenten. De Vlaamse overheid samen met de rectoren vinden echter dat de Vlaamse universiteiten nog te klein zijn. Er zijn nu opnieuw plannen om door verdere consolidatie de universiteiten nog groter te maken.De Vlaamse universiteiten scoren slecht in internationale rankings. In een lijst van de top-100-universiteiten in de wereld, opgesteld door de Shanghai Jiao Tong Universiteit, komt geen enkele Vlaamse universiteit voor. We wachten nog altijd op de eerste Nobelprijs voor een Vlaamse universiteit.
Zo’n slecht resultaat hoeft niet te verwonderen. Het businessmodel van de Vlaamse universiteiten, dat gebaseerd is op centrale besturing, deugt niet. We verwachten van onze Vlaamse universiteiten dat ze creatief zijn maar het besturingsmodel dat we voor deze universiteiten hebben gekozen is het model dat het minst geschikt is om creativiteit te stimuleren.
Er bestaat geen geheim over het succesvolle besturingsmodel van een topuniversiteit. Dit model is gebaseerd op twee pijlers. Ten eerste moet een universiteit die de top ambieert financieel onafhankelijk zijn. Dat impliceert onder andere dat ze zelf kan bepalen hoe hoog het inschrijvingsgeld zal zijn. Die financiële onafhankelijkheid laat een topuniversiteit toe zelf haar onderwijsprogramma’s te bepalen zonder de toelating te moeten vragen aan een minster en zijn administratie. Financiële onafhankelijkheid maakt het ook mogelijk dat universiteiten hun professoren betalen in functie van prestaties en niet van anciënniteit zoals typisch het geval is in de Vlaamse universiteiten vandaag.
De tweede pijler is selectiviteit. De kwaliteit van een universiteit wordt in grote mate bepaald door de kwaliteit van de studenten. De top van de Amerikaanse universiteiten heeft dat goed begrepen. Harvard bijvoorbeeld rekruteert alleen de top één-percent van de studenten. Het gevolg is dat het bevolkt wordt door briljante studenten. Samen met briljante proffen creëert dit een omgeving waarin nieuwe ideeën kunnen ontstaan. Het Vlaamse universiteitsbeleid zit gevangen in een grote tegenstrijdigheid. Het doel van dit beleid is kwalitatief hoogstaand universitair onderwijs tot stand te brengen. Het besturingsmodel van onze universiteiten garandeert echter dat dit doel met zekerheid niet gehaald zal worden. We zullen dus moeten kiezen. Als we topkwaliteit willen, zullen we een ander model moeten overnemen. Dit is een model waarin universiteiten autonoom, dus zonder interferentie van een minister en centrale administratie, hun onderwijs- en onderzoeksstrategieën uitwerken. Als we onze universiteiten blijven besturen zoals in een centraal geleide economie, dan zullen we nooit de top bereiken.